Misvormde Moraal
Een verhaal over het Boek der Vrije Zielen
Hoofdstuk I: 24 september 615N.S.
“Victor! Ben je klaar?” riep Thomas over zijn schouder terwijl hij langs de ruw uitgehakte wenteltrap naar beneden liep. In zijn rechterhand hield hij een grote leren koffer, onder zijn andere arm klemde hij een stapel boeken. “Ja hoor, ik kom eraan!” hoorde hij zijn zoon antwoorden vanuit zijn kamer, dieper in de koele rotswoning. Zo goed en zo kwaad als het ging probeerde de moegestreden oorlogstovenaar de houten voordeur te openen zonder zijn spullen te hoeven neerzetten. Dit lukte echter niet en het stapeltje in leer gebonden boeken glipte onder zijn arm vandaan.
“Verdomme!” vloekte hij binnensmonds, terwijl hij zijn koffer neerzette om de boeken op te rapen. “ Hé, niet vloeken hé lieverd.” Klonk het zachtjes. Glimlachend heek hij op naar het stralende gezicht van Sara, die net om om de hoek kwam met twee grote koffers. Met gracieuze tred liep ze de gang door, duwde de deur open met haar elleboog en verdween naar buiten. Ietwat verbaasd over het gemak waarmee zijn vrouw zulke grote lasten kon verplaatsen, scharrelde Thomas vlug zijn boeken bijeen en liep haar achterna, de broeierige buitenlucht in.
Van zodra hij buiten kwam begon Thomas hevig te transpireren. De jungle rond Adhelston was niet alleen vreselijk vochtig, het tropisch regenwoud hield ook nog eens alle warmte bij, waardoor het er zelfs in de winter snikheet was. De Rotsburcht die de Adhelind hadden uitgehakt uit de grote rotseiland in het midden van de rivier was niet alleen indrukwekkend om te zien, het zorgde ook voor de nodige verkoeling in deze warme omgeving.
Thomas ging naast Sara staan en gooide zijn bagage in de kleine houten kar die voor hun deur stond. “Zo schatje,” sprak hij zacht terwijl hij zijn arm rond Sara's middel legde. “het lijkt erop dat we bijna kunnen vertrekken uit deze hel.” Sara keek hem liefdevol aan en drukte een vluchtige kus op zijn lippen. “Niet zo negatief Thomas,” sprak ze terwijl ze hem aan zijn hand meetrok naar binnen. “ De Adhelind hebben toch goed voor ons gezorgd?” Thomas keek even achterom voor hij de koelte van de rotsburcht weer instapte. Het slangachtig wezen dat bij de kleine houten kar stond te wachten, keek hem glimlachend aan en kneep een van zijn gele irissen toe in wat een verwrongen knipoog leek. “Ja dat is waar.” Zuchtte de tovenaar, terwijl Sara hem mee de trap op trok.
“Over de MainYu zullen we het maar niet hebben zeker?” vroeg hij cynisch.
Weemoedig dacht Thomas terug aan de twintig ellendige jaren die hij in deze jungle had doorgebracht. Twee decennia geleden was hij vertrokken uit Luxur, zijn geboortestad, om de Adhelind te komen helpen in hun burgeroorlog tegen de MainYu. Hij was vertrokken uit overtuiging dat hij ging vechten voor de goede zaak. Al snel was hij zich gaan afvragen waarom hij in godsnaam naar dit kleine uithoekje van de wereld was gekomen om een volk te helpen dat niet eens het zijne was. In zijn twintig dienstjaren had hij talloze MainYu de dood in gejaagd en had hij het voortbestaan van de Adhelind meer dan eens gewaarborgd, maar hij kon niet zeggen dat de situatie er ook maar enigszins op vooruit was gegaan. Hoe meer MainYu er werden gedood, hoe harder en feller hun aanvallen werden, er scheen maar geen eind te komen aan de ellende.
Toch was Thomas blij dat hij hier naartoe was gekomen, anders zou hij Sara immers niet ontmoet hebben en zou Victor nooit geboren zijn. Zij twee waren de belangrijkste waarden in zijn leven, en maakten hem grenzeloos gelukkig. Nu ze dit afgelegen oorlogsgebied eindelijk konden verlaten zou hun leven pas echt beginnen.
Snel trok Sara hem mee door de koele, versierde rotsgang en liep de smalle wenteltrap op. Boven gekomen sloeg ze de dunne doek voor de eerste deurloze kameropening opzij en liep naar binnen.
“Victor, wat ben je aan het doen?” Vroeg Sara met vermanende stem. “Je weet toch dat we gaan vertrekken? Nu papa hier eindelijk weg mag moeten we niet meer treuzelen.”
“Maar mama,” antwoordde het kleine goudharige kind beteuterd. “Ik vraag aan Leon en de andere goden of ze ons willen beschermen op de reis.” Victor zat in kleermakerszit op zijn rieten slaapmatje. Zijn ogen waren gesloten en zijn handen waren krampachtig ineen geslagen.
Toen Sara haar mond wilde opendoen legde Thomas zachtjes een vinger op haar lippen, beduidend dat ze nog even stil moest zijn. Met vaste tred liep hij naar zijn zoon toe en ging voor hem op het matje zitten.
“En waarom bid je dan wel tot de goden, Victor?” De negenjarige jongen opende zijn ogen en keek zijn vader onzeker aan. Stotterend probeerde hij het juiste antwoord te geven op deze onverwachte vraag.
“Wel, omdat ze ons dan kunnen beschermen tegen de MainYu. Ze kunnen er misschien voor zorgen dat die slechte wezens ons niet kunnen zien of zo.”
Thomas moest onwillekeurig glimlachen.
“Zo werkt het niet hoor jongen. Je hoeft niet te bidden tot de goden. Allereerst zijn ze niet in staat jouw stille gebeden te horen en als ze je toevallig zouden horen zouden ze geen tijd hebben om gehoor te geven aan jouw individuele wensen. Hun taak is de gemeenschappelijke wensen van alle inwoners van Amaroth te vervullen, niet jou te helpen met je eigen kleine probleempjes. Het is genoeg dat ze deze wereld voor ons hebben geschapen, je hoeft hen enkel daarvoor dankbaar te zijn. Voor de rest moet je instaan voor je eigen leven.” Thomas keek zijn zoon indringend aan om er zeker van te zijn dat het tot hem doordrong. “De Raad van Zeven heeft echt geen tijd om ons van een paar nietige MainYu te verlossen, dus sta op, neem je mes uit je bagage en neem het heft in eigen handen. We komen er zo ook wel doorheen.” Verstard keek Victor zijn vader aan. Uit zijn jonge hemelsblauwe ogen drupte een fonkelende traan naar beneden, en spatte uiteen op de stenen vloer.
“Je hoeft niet te wenen zoon.” Sprak Thomas terwijl hij Victor's wang droogwreef met zijn duim.
Victor knikte alleen maar en stond recht. Snel griste hij zijn mes van de grond en rende naar buiten.
Toen Thomas en Sara buitenkwamen zat Victor al in de kar. De Adhelind van wie de houten kar was, stond naast hem en probeerde hem op te vrolijken. Victor keek recht voor zich uit een scheen de zacht sissende stem van de slangachtige man niet te horen.
“Het lijkt erop dat we kunnen vertrekken Salan.”
“Het is spijtig dat je ons verlaat Thomas. Je hebt vele levens gered tijdens je diensttijd en we zijn je daar oprecht dankbaar voor. We zullen je missen.” Thomas omhelsde zijn oude krijgsmakker en klopte hem stevig op de rug. “Ik zal jullie ook missen Salan."
“Waar gaan we naartoe mama?” klonk het vanuit de wagen. Thomas zag Sara op de kar springen en haar zoon in haar armen nemen. “Eerst gaan we naar Talip, het gigantische paleis waar ik je al zoveel over heb verteld, opa en oma kijken er vast naar uit jou te ontmoeten. Daarna gaan we naar Luxur, de stad waar papa vroeger woonde, misschien ontmoeten we Homin, de god van de mensen wel.” Sara's stem klonk zacht en sussend, alsof ze een sprookje aan het vertellen was. “En daarna... daarna gaan we op avontuur.”
“Echt?”
“Ja hoor.”
“Word ik dan een echte held, mama?”
“Natuurlijk m'n jongen!”
“Cool!” zei Victor, met een glimlach van oor tot oor.
Hoofdstuk II: 4 Oktober 621N.S.
Hijgend en druipend van de regen strompelde Thomas herberg 'De Donkere Schaduw' binnen. Het kleine donkere gebouwtje deed zijn naam meer dan eer aan. De gelagkamer van de herberg was nauwelijks groter dan een ruime paardenstal en zag er al niet veel gezelliger uit. Vier lege tafeltjes werden door enkele kwalijk riekende kaarsen verlicht en op de vunzige eikenhouten toog stond, naast een verzameling ongewassen bierkroezen, één enkele olielamp. De ruimte leek volledig verlaten en ook de herbergier was nergens te bekennen.
Terwijl Thomas naar de toog liep kwamen ook Sara en Victor binnen. Ze zagen er al even moe en verzopen uit als hij en zakten dan ook meteen neer op de wankele houten bankjes.
“Eho..” Fluisterde Thomas terwijl hij naar de toog liep. Om een of andere reden leek het hem ongepast te roepen in dit donkere hol.
Sara barstte in lachen uit. “ Haha, schatje toch. Zo gaat de herbergier je niet horen hoor.”
Ietwat beschaamd haalde de ouder wordende magiër zijn schouders op. Sara slaagde er telkens weer in op elk moment vrolijk uit de hoek te komen. Thomas had meermaal gemerkt dat hij jaloers was op die eigenschap van haar. Waarschijnlijk was het ook een van de redenen waarom hij zo zielsveel van haar hield. “Nou zeg...” Bracht hij gespeeld beteuterd uit, terwijl hij haar een liefdevolle knipoog toewierp.
Hij draaide zich om en wilde net roepen toen hij geschrokken achteruit strompelde.
Achter de toog stond een klein mollig mannetje met zijn handen op de rand van de afwasbak. De vloer achter de toog was vast verhoogd, want het dikke ventje keek fronsend op hem neer.
“Wat kan ik voor u doen mijnheer?” Zijn stem klonk alsof de man al pijp rookte toen hij nog maar net kon lopen. Een beetje verbaasd kwam Thomas weer dichterbij. “Hoe... Hoe wist u dat we hier waren?” De man fronste zijn wenkbrauwen, nam een in rood leer gebonden boekje uit zijn schort, grimaste even naar Thomas en begon in het boekje te krabbelen. “U wilt een kamer huren neem ik aan?”
“Euhm, ja.” stotterde Thomas, het feit dat de herbergier zijn vraag negeerde kwetste hem, maar hij ging er niet op in. “Eén nacht voor drie personen alstublieft.”
“Dat maakt één zilverstuk.” Inwendig vloekend om de dure prijs doorzocht Thomas zijn zakken en gooide een blinkende zilveren munt op de toog. Nog voor het muntstuk tot stilstand was gekomen, was het al in de kassa verdwenen.
“Maya wijst je jullie kamer wel.” sprak de man terwijl hij een sleutel uit de la griste en die door de kamer gooide. Het kleine voorwerp zeilde door de kamer en werd door een stevige jongenshand opgevangen. Blijkbaar was de herberg toch niet zo leeg als eerst gedacht. In de verste en donkerste hoek zat een jong koppeltje lustig van elkaar te genieten.
De zwartharige jongen die de sleutel blindelings gevangen had, legde die rustig op tafel en kuste lustig verder. Het meisje dat schrijlings op hem zat had mooi blond haar en leek nog niet eens gemerkt te hebben dat haar iets gevraagd was. Thomas keek glimlachend toe hoe Sara Victor's aandacht vergeefs probeerde af te leiden. Victor was nu reeds vijftien en begon dus ook interesse te tonen voor het liefdesspel. Uiteindelijk duwde het meisje zich af van haar geliefde en griste de sleutel van de tafel. In het voorbijgaan herschikte ze haar blonde lokken en glimlachte even. Ze stevende recht op de gammele wenteltrap naast de toog af en stapte met gracieuze tred de houten treden op.
“Waar komen jullie eigenlijk vandaan?” Vroeg ze vriendelijk toen iedereen boven in de smalle overloop stond.
“Wel, dat is een lang verhaal.” Thomas voelde zich moe, en wou niets liever dan snel in bed kruipen.
“Zes jaar geleden verlieten we Adhelston, we hebben een tijdje in Talip gewoond en zijn daarna naar Luxur getrokken. Nu zijn we op weg naar Querilio om daar elementalisme te gaan studeren.”
“Ooh, wat een leuk avontuur.” Zuchtte Maya opgewonden. Ze was blijkbaar nog nooit het dorp uitgeweest, anders had ze wel geweten hoe ongelooflijk irritant avonturen soms konden zijn. Voor de meid voort kon tateren, liep Thomas de slaapkamer binnen en sloot hij de deur. Hij was gewoonweg te moe om nog vriendelijk te zijn.
“Als jullie nood hebben aan een goed boek kunnen jullie altijd terecht in de zolderbibliotheek!” klonk het nog door de eikenhouten deur heen.
“Jaja, zal wel.” gromde Thomas terwijl hij op het grote tweepersoonsbed plofte en zijn kleren uitdeed. Zijn vrouw kroop naast hem en Victor ging in het kleine eenpersoonsbed in de andere hoek van de kamer liggen.
“Slaap wel allemaal.” Klonk de zachte stem van Sara. Het licht ging uit.
Zwetend lag Victor naar het plafond van de kamer te staren. Uit de andere hoek van de kamer klonk het vredig geronk van zijn vader en moeder. Zij hadden blijkbaar geen last van de vreemde hitte in de kamer. Voorzichtig stond de blonde jongen op. Hij kon toch niet slapen en het was dan ook nutteloos het te proberen. Maya had iets gezegd over een bibliotheek op zolder. Misschien kon hij daar wat tot rust komen.
Stilletjes trippelde Victor naar het nachtkastje en griste de kleine olielamp en de aanmaakdoos van het gammele houten meubel. Hij sloop de kamer uit en stak de lamp aan. Op het einde van de gang stond een wankele houten ladder die verdween door een donker gat in het plafond. Dat moest wel de zolder zijn.
Voorzichtig klom hij de trap op en ging rechtstaan. Kermend van de pijn viel hij terug op zijn knieën en drukte zijn handen op zijn hoofd. Het plafond van de zolder was zo laag dat zelf hij, een jongen van amper vijftien, er niet helemaal kon rechtstaan. Gebukt en met zijn hand op zijn kruin, kwam Victor terug recht en keek de kleine kamer rond. Het lage gangetje waar hij in stond was nauwelijks één meter breed, en was omsloten door twee rijen boekenschappen.
Nauwelijks drie meter verder hielden de boekenrekken op en stond er een klein, kniehoog tafeltje met vuile stoffen kussens er rond. De bibliotheek bevatte misschien een kleine driehonderd boeken, een magere verzameling die verbleekte tegenover de gigantische stadsbibliotheken van Talip en Luxur.
Toch vond Victor deze minibibliotheek iets speciaals hebben, iets mystieks, alsof deze verzameling toch iets meer te bieden had.
Nieuwsgierig begon Victor de stoffige kaften te lezen. Het eerste rek stond vol met kinderboeken en allerlei boeken voor het gewone volk. Van “Op avontuur met ridder rat” tot “Algemeen Ozeens kookboek voor alle volkeren” en “Zwaardvechten voor beginners”. Aan de andere kant van het gangetje stonden de meer wetenschappelijke boeken. Victor herkende onder meer “Magie voor Beginners” van Kebeth Gralef en “Analyse van een zielencel” door Mark Aladorus.
Hij had echter geen zin in zulke zware lectuur en wilde zich bijna terug omdraaien naar de kinderboeken, toen een klein boekje met zwarte kaft zijn aandacht trok. Op de kaft stond in gouden letters: “Het Boek der Vrije Zielen”. Met kloppend hart trok Victor het boek voorzichtig van de plank en sloeg het open. Blijkbaar was het nog niet veel gelezen want zowel de kaft als de bladzijden zagen er nog redelijk proper uit. Gewoontegetrouw liet Victor de bladzijden eerst eens snel door zijn vingers schieten. Het hele boek was geschreven in een proper kaligrafisch schrift en de marges waren versierd met prachtige tekeningen van ridders, zwaarden, bloemen en vogels. Pagina vierenvijftig was gevuld met een zeer gedetailleerde prent van een zwartharige vrouw in een rode jurk. “Vrouwe Vrijheid” stond eronder. Nieuwschierig bladerde Victor verder. Fronsend keek Victor naar de lege bladzijde vijfenvijftig. Hij bladerde verder tot het einde van het boek, maar kwam geen beschrevn pagina's meer tegen. Pagina vijfenvijftig tot tweehonderdentien waren, afgezien van een paginanummer, volledig blanco.
“Nou ja.” Zuchtte de jongen. De eerste vierenvijftig pagina's waren tenminste beschreven en het boek zag er toch wel interessant uit. Hopelijk was dat genoeg om terug een beetje slaap te krijgen.
Opgelucht plofte Victor neer in de vuile maar zachte hoop kussens en begon te lezen.
Het boek was geschreven door een vrouw die zichzelf Vrouwe Vrijheid noemde, dat was de vrouw in het rode gewaad, wist hij nu, en handelde dan ook, volledig naar verwachting, over Vrije wil en alles wat daarmee te maken had. Algauw werd Victor volledig meegesleept door de spannende verhalen en moraliserende legendes over vrijheid en onderdrukking. Het boek begon heel gewoon. Aanvankelijk vertelde het verhaaltjes, met hier en daar commentaar van de schrijfster en een filosofische uiteenzetting over wat vrijheid en onderdrukking nu eigelijk waren. Naargelang Victor verder las, werden de uitspraken van de vrouwe echter radicaler. Ze sprak over de bevrijding van Amaroth, over het verschil tussen vrije en niet vrije zielen, over kwaad en goed. Victor voelde dat hij haar telkens weer gelijk moest geven. Haar gedachtengang leek zo logisch, zo puur, zo eenvoudig. Het voelde haast als de enige echte waarheid aan.
Vaak moest hij terugdenken aan de wijze woorden over zelfbeschikkingsrecht die zijn vader altijd plachtte uit te spreken. Voor het eerst begon hij te twijfelen aan die woorden. Er was zelfbeschikkingsrecht voor zowel de goden als de gewone mensen, maar waarom knielden dan nog zoveel volkeren in het stof uit aanbidding voor hun god? Volgens Thomas deden ze dit uit eigen vrije wil, Vrouwe Vrijheid dacht er echter anders over. Mensen die zich onderwierpen aan een geloof, knielden voor de beslissingen van een ander, en lieten hun eigen vrije wil achterwege. Geloven in een ander was makkelijk, maakte het overbodig om zelf na te denken. Volgens Vrouwe Vrijheid reduceerde je jezelf tot niet meer als een tentakel van de aanbeden persoon.
Victor voelde hoe zijn gedachten steeds meer met deze stellingen werden gevuld. Ze klonken zo redelijk, zo mooi, zo ideaal. Steeds dieper werd hij meegezogen in de gedachtengang van de vrouwe.
“Victor, waar ben je?” Sara's stem galmde door de kleine herberg. Verward keek Victor op uit het kleine zwarte boek. Een warme zonnestraal scheen door een piepklein dakraampje naar binnen en deed het ronddwarrelende stof in de knusse zolderkamer oplichten. Zonder dat Victor het gemerkt had was het ochtend geworden. De jongen had heel de nacht doorgelezen en was nu net aan de laatste pagina begonnen. Fronsend keek hij naar het paginanummer op de laatste pagina: pagina tweehonderdentien stond er. Het boek was toch maar beschreven geweest tot pagina vierenvijftig? Snel bladerde hij terug en zag dat alle andere pagina's nu ook beschreven waren. Een rilling ging over zijn rug. Zou het boek magisch zijn? Toen hij aan de eerste pagina aangekomen was, las hij: Hoofdstuk vijftien: Het brengen van Vrijheid aan een onderworpen continent. Onderaan de bladzijde stond het getal tweehonderdenelf. Victor's mond viel open. Het werk was magisch, dat stond nu wel vast.
“Victor! Verdorie waar zit je! We vertrekken zo. Papa en ik hebben al gegeten.”
“Ja mama! Ik kom!” Snel stak Victor het boek in zijn zak en stormde hij de trap af. Hij had nooit eerder iets gestolen, maar nu leek het hem gewoon juist om het te doen. Het boek was te interessant om te laten liggen op die stoffige zolder.
Hoofdstuk III: 5 december 626N.S.
Glimlachend keek Thomas uit over de bevroren Fjord van Tur-Anion. Hij vond het uitzicht van de eindeloze bevroren zee in het noorden nog altijd een immens machtig schouwspel. Rillend veegde de ouder wordende Magiër een bevroren traan uit zijn oog en zette zijn kraag wat rechter, in een poging zich te wapenen tegen de koude noorderwind die over de Vlakte van Arandir blies.
“Waarom doe je jezelf dit aan vader?” klonk een zware jongensstem achter hem. “Je bezit magie, waarom werp je geen hitteschild om je heen om je tegen de kou te beschermen?” een stevige, blondharige gestalte kwam naast hem staan. “Ik heb je al gezegd dat ik geen magie gebruik als het niet echt nodig is Victor. Ik zal echt niet sterven van een beetje kou.” Victor's blauwe ogen keken Thomas spijtig aan, alsof hij aan dat laatste twijfelde. “Nou ja, je moet het zelf weten, hierbinnen is het in ieder geval een stukje aangenamer.”
Victor draaide zich om naar het westen en stapte met stevige tred door de dikke sneeuwlaag, alsof deze er helemaal niet was. Even lichtte de stevige noordenwind Victor's mantel op, en Thomas zag dat Victor's bovenlijf bloot was. “Victor! Waar is je trui? Dit word je dood nog eens.” De jonge blonde man draaide zich smalend om, maakte zijn mantel los en wierp die in de sneeuw. “Maak je toch niet ongerust vader, ik zweet me hier kapot.” Met ontbloot bovenlijf vervolgde hij zijn weg. Grommend raapte Thomas de mantel op zie Victor zo nonchalant in de sneeuw had gegooid en liep zijn zoon achterna.
Enkele mijlen voor hen rees de gigantische zwarte Drakenburcht hoog op boven het witte landschap. Het imposante gebouw van onverweerbaar zwart graniet stak als een scherpe naald door de ijle lucht. Toen hij dit tafereel vijf jaar geleden voor het eerst had aanschouwd had hij verwacht dat de ijle noorderlucht elk moment kon beginnen bloeden. Soms gebeurde dat ook... als het sneeuwde.
Thomas en zijn familie waren vijf jaar geleden hierheen gekomen om Elementalisme te studeren aan de Academia Tolphenos. Victor was toen vijftien geweest. Nu was hij twintig en een sterke jongeman. Thomas wist dat hij zijn zoon binnenkort zou moeten loslaten. Niet alleen werd Victor steeds eigenzinniger, ook zijn magische krachten werden steeds sterker en sterker. Het stond buiten kijf dat hij een betere magiër zou werden dan zijn vader.
Thomas vermande zichzelf en ploeterde verder door de sneeuw, zijn zoon achterna. Recht voor hem spleet de zwarte drakenburcht het beeld van de rode ondergaande zon in tweeën.
Met een diepe zucht stapte Thomas het warme huisje binnen en duwde de deur achter zich dicht. Hij was blij dat hij uit de koude was en wreef in zijn handen om zijn koude vingers op te warmen. Nadat hij een tijdje had staan ontdooien in de hal, deed hij zijn jas en laarzen uit en stapte de woonkamer binnen.
Hun houten huisje was niet echt groot, maar dat was ook niet nodig. Kleine ruimtes waren in dit koude gebied enorm handig omdat ze makkelijker te verwarmen waren. Bovendien hadden ze plek genoeg voor drie bedden, een keukentafel, enkele boekenkasten, een hoek om in te koken en een kleine badkamer. Alle activiteiten, met uitzondering van het wassen en het plassen, gebeurden in de woonkamer.
Victor zat al aan de tafel en las in een van zijn studieboeken. De jongen zat in het laatste jaar Algemene gevorderde magie, en kreeg dus flink wat leerstof te verwerken. Ondanks het hoge niveau van de magische studies leek de jongen nooit problemen gehad te hebben op school. Hij was dan ook niet voor niets de zoon van Thomas Fendel.
“Waar is Sara?” Vroeg de ouder wordende magiër terwijl hij op zijn bed neerplofte.
“Ooh, zij moest nog enkele boodschappen doen voor het avondeten. Ze zou binnen het halfuur terug zijn, zei ze.” mompelde Victor zonder uit zijn boek op te kijken.
“Oh okee.” Even werd het stil. Thomas wilde net zijn ogen sluiten om en dutje te doen, toen Victor zijn stoel naar achter schoof.
"Vader?”
“Ja mijn zoon?”
“ Weet je nog die dag dat we vertrokken uit Adhelston? Toen je mij vertelde waarom het nutteloos is tot de goden te bidden?” Thomas fronste zijn wenkbrauwen en ging recht zitten.
“Ja, waarom?”
“Wel...” Ondanks zijn zelfzekere blik leek Victor bang zijn mond open te doen.
“Ik heb nog eens nagedacht over wat je me daar hebt gezegd en ik moet eerlijk toegeven dat ik tot het inzicht ben gekomen dat je in zekere zin gelijk had.”
Victor sloeg zijn boek toe en kwam op het bed tegenover zijn vader zitten.
“Ik ben echter van mening dat wat je zei verre van volledig is en ik heb dan ook de laatste paar weken zitten nadenken en heb de theorie uitgebreid tot iets dat vollediger is, iets dat de hele waarheid omvat. Ik zou graag hebben dat je even luistert en achteraf laat weten wat je ervan vind.”
Ongemakkelijk ging Thomas wat rechter zitten, hij vond het op zich wel goed dat zijn zoon voor zichzelf dacht, maar er was iets in diens blik dat hem niet lekker zat.
Toch knikte hij om te beduiden dat Victor door moest gaan.
De twintigjarige jongeman schraapte zijn keel en stak van wal.
“Waarom zouden we goden aanvaarden die ons laten voor wat we zijn? Hun acties hebben geen enkele betekenis in ons leven, net zomin als onze acties hen iets kunnen schelen. Zodoende zijn we niet afhankelijk van elkaar en zijn we hen ook niets verschuldigd. Zij zijn niet diegenen waar in geloofd moet worden, vrijheid en jezelf zijn de enige zaken waar geloof aan dient gehecht te worden. Een wezen dat een ander aanbid gooit zijn eigen vrijheid weg om de hogere waarden van een ander als waar aan te nemen, hij maakt zichzelf als een slaaf van de desbetreffende god en bied zich gewillig aan om diens marionet te worden. Zulk een onvoorwaardelijke band stompt hen af en maakt hen tot het persoonlijk bezit van die god. De god die aanbeden word kan deze band ten allen tijden misbruiken om zijn eigen wil op te leggen aan anderen. Bijgevolg zijn mensen die geloven in de krachten van een ander gevaarlijk en moeten uitgeroeid worden, want zij kennen geen waarlijke vrijheid van de geest. Toon hen wat echte vrijheid is, opdat ze in zichzelf geloven inplaats van in een ander. Als ze blijven vasthouden aan de idealen van die god, tref hen dan recht in het hart, want zij hebben hun vrijheid en hun leven al weggegooid toen ze oor het eerst knielden voor hun meester. Zij zijn geworden tot een tentakel van de god en dienen slechts om anderen op te slokken. Het is onze plicht mensen te tonen wat vrijheid is en diegenen die vrijwillig knielen te laten voelen dat wat ze doen niet waardig is. Want waarlijk: enkel slaven knielen in het stof en onderwerpen zich gewillig.”
Verbaasd staarde Thomas zijn zoon aan. Even knipperde hij met zijn ogen terwijl hij een onbehaaglijk gevoel over zijn ruggengraat naar boven voelde kruipen. Hij kon niet geloven dat zulk een verwrongen stelling uit de mond van zijn zoon kon komen. De stelling klonk logisch en was schijnbaar vervuld van levenswijsheden. Maar onder die dunne laag van schijnbare wijsheid lagen de meest verwrongen moralistische stellingen die Thomas ooit had gehoord. De predikende stijl van de tekst moest dit enigszins verhullen. Er was echter nog iets dat hem veel meer verontruste. Met toenemende angst voelde de oude tovenaar de woorden trekken aan zijn ziel, alsof het de woorden zelf waren die hem probeerden te overtuigen van hun waarheid en niet Victor.
Met een grote innerlijke krachtinspanning gooide Thomas de druk op zijn wezen van zich af en deed alsof hij even gemakkelijk ging zitten. Terwijl hij zijn ademhaling probeerde te reguleren liet hij Victor's woorden nogmaals aan zich voorbij gaan. Er was iets vreemd aan de uitspraak, de cadans, het woordgebruik. Alsof de woorden een patroon vormden, een soort bezwering om de geest te beïnvloeden. Thomas had wel eens gehoord dat zulke spreuken bestonden, maar had het altijd als lariekoek afgedaan. Nu hoorde hij er zelf een, en dan nog uit de mond van zijn eigen zoon.
Victor keek zijn vader vragend aan, kennelijk niet beseffend wat zijn woorden eigenlijk teweeg brachten.
“En Vader wat vind u ervan?”
“Wel, eigenlijk vind ik dat je uitspraak te ver gaat, véél te ver.”
Thomas wist dat hij niet erg tactvol was, zijn poging tot tegenspraak zelfs ronduit desastreuze gevolgen kon hebben, maar het was zijn enige kans. Om zijn woorden hun magische overtuigingskracht mee te geven moest Victor zelf volledig geloven in de waarheid ervan. Zolang hijzelf niet besefte dat wat hij zei een leugen was, vormde Victor een potentiël gevaar voor vele naïeve zielen. Mensen met minder weerbare geesten als die van Thomas zouden de leugen van Victor immers blindelings geloven.
“Ten eerste heb je mijn woorden volledig vervormd, ik heb nooit beweerd dat het de goden niet kan schelen wat er met hun schepping gebeurd, ik heb enkel gezegd dat het nutteloos is te bidden voor iets dat de goden je ook niet kunnen geven. Ten tweede is de band tussen God en mens geen Meester-Slaaf relatie. Mensen kiezen er gewillig voor hun God te bedanken voor hun leven, en kunnen daar ten allen tijde mee ophouden als ze dat wensen. Enkel uit eigen vrije wil kiezen ze ervoor de god te aanbidden waarvoor ze respect hebben. Hun vrijheid komt hierbij niet in het geding.”
Victor keek zijn vader even emotieloos aan en sloeg toen het boek dat hij nog steeds open in zijn handen had met een klap toe. Nu pas zag Thomas dat het boek in de verste verte niet leek op Victor's reguliere studieboeken. Het boek was redelijk klein, had een vierkant formaat en de kaft was van zwart leder. De dikke, perkamenten pagina's waren ruw afgesneden en vertoonden beginnende sporen van slijtage. Thomas kon zich niet herinneren dat Victor ook maar één van zijn boeken tweedehands had gekocht en haalde sceptisch zijn wenkbrauw op.
“Snap je het dan niet?” fluisterde Victor bijna verdrietig. “De goden doen zich voor als goede wezens en laten ons bewust in de waan dat we een vrije keuze hebben, maar in werkelijkheid doen ze niets anders dan gebruik maken van ons. Het bezitten van mensen die hen aanbidden is niets anders dan een verholen vorm van macht. Ze kunnen deze macht op eender welk moment gebruiken om eender wie uit de weg te ruimen, alles wat ze hoeven te doen is beweren dat de andere slecht is en een gevaar voor Amaroth. Op die manier kunnen ze snel en efficiënt eender wie opruimen die hen in de weg staan. Hun aanbidders zullen zich zonder twijfelen en zonder nadenken op de nieuwe bron van het kwaad storten!”
Weerom voelde Thomas de verlokkelijke aantrekkingskracht van Victor's woorden aan zijn verstand trekken. Even overwoog hij Victor gelijk te geven. Zijn woorden klonken immers zo logisch, zo mooi geformuleerd. Steeds meer proefde hij de zoete waarheid van Victor's stelling door zijn hoofd stromen.
Thomas schudde zijn hoofd. Hij wist dat wat hij hoorde niet de waarheid was, het was niet meer dan een schijnbaar geargumenteerde drogreden, omwonden met een ingewikkeld web van zoete magische leugens. Hij wist dat het niet klopte en hij moest dat duidelijk maken aan Victor.
“Victor, wat je zegt slaat op niets. De goden zijn de scheppers van Amaroth, ze houden van iedere ziel op deze planeet. Waarom zouden ze zich vernielzuchtig gedragen in een paradijs dat ze zelf hebben geschapen? Ze doen enkel wat nodig is om de vrede te bewaren en de mensen respecteren dat. Het is uit dankbaarheid dat ze de goden aanbidden, niet uit onderwerping.”
Victor keek aarzelend voor zich uit, blijkbaar niet wetend wat zeggen. Hij zuchtte, knipperde met zijn ogen en keek op. Zijn blik was kalm en koel en zijn stem klonk rustig terwijl hij sprak.
“Als ook jij wents te knielen in het stof om de goden om hulp te smeken, dan vergooi je je vrijheid, word je een slaaf van hun wil en ben je recht op leven onwaardig.”
Thomas moest onwillekeurig slikken. De woorden waren kalm en emotieloos uitgesproken, alsof zijn zoon een rechtszaak afsloot en de straf voor zijn zonden voorlas. Toch schrok hij van de demonische waanzin die in de woorden school. Het vonnis sneed als een scherpe dolk door zijn ziel. Het feit dat zijn zoon zulk een gedachte durfde formuleren deed hem inwendig zoveel pijn dat hij de flikkering van het blinkende lemmet niet zag en het kerven van het scherpe keukenmes in zijn buik niet voelde. De oude man kon nog steeds niet bevatten wat er gebeurde. Waarom moest juist zijn zoon bezeten worden door zulke waanzinnige gedachten? “Victor...” Bracht hij moeizaam uit. Een dikke traan rolde over Victor's wang, maar de jongen keek zijn vader niet aan.
Het mes draaide en begon zijn weg naar beneden, een lange bloederige streep over Thomas' buik trekkend. Zijn gewaad scheurde, zijn ingewanden puilden door de lange snede naar buiten.
Thomas verbeet de pijn en keek naar de hand van zijn zoon, die het mes met kracht voortjoeg door zijn zachte buikholte. Victor's ogen stonden vol tranen, maar hij keek niet op van zijn werk.
Een krachtige pijnscheut deed Thomas verstijven toen het mes vlak boven zijn kruis tot stilstand kwam en van richting veranderde. Thomas kneep in Victor's schouders om de pijn te verbijten. Deze deed geen moeite om de handen weg te schudden en vervolgde zijn weg.
Victor trok het mes terug en keek op naar zijn vader, wiens ingewanden nu vanonder een V-vormige huidflap naar buiten gleden.
“De V van vrijheid vader. Opdat je in het volgende leven wel vrijheid mag kennen.”
Met een kreet joeg hij zijn mes door het hart van de man die hem had grootgebracht.
“Vaarwel papa.” Zei hij terwijl hij Thomas' starende ogen sloot en zijn eigen tranen wegveegde.
Vlug griste hij het kleine zwarte boek van zijn bed en verdween naar buiten.
Hoofdstuk IV: 12 december 626N.S.
Nietsziend reed Victor door het witte landschap. Hij had nu al een week onafgebroken gereden, enkel stoppend om te eten en te slapen. Sinds hij zijn vader uit de weg had geruimd voelde hij zich lusteloos. Het was niet zozeer dat hij spijt had van zijn daad. Thomas had de vrijheid van Amaroth in de weg gestaan en het opruimen van die bedreiging was dan ook een noodzakelijk kwaad geweest. Wel voelde hij zich slecht omdat hij moest moorden om vrijheid te brengen. Vrouwe vrijheid, de schrijver van “Het boek der vrije zielen”, had meermaals geschreven dat er enkelingen moesten opgeofferd worden om de grote meerderheid onder te dompelen in vrijheid.
Toch vond hij het vreselijk dat juist zijn vader één van die personen zou zijn die nooit van de absolute vrijheid zou kunnen proeven, die nooit zou kunnen aanschouwen welke veranderingen hij in deze wereld zou brengen. Bovendien voelde hij zich schuldig tegenover zijn vader. Hij had hem doen geloven dat hij zijn standpunt zelf had uitgewerkt, een feit dat allerminst waar was. De uiteenzetting over vrijheid die hij opgevoerd had kwam rechtstreeks uit het boek. Alhoewel het zijn standpunt ondersteunde waren het niet zijn eigen woorden. Vrouwe vrijheid had echter beschreven dat deze woorden hem zouden helpen om de mensen te doen inzien wat vrijheid was, simpelweg omdat ze de essentie van de waarheid omvatten. Tijdens zijn gesprek met vader had Victor zelf even een glimp van geloof in diens ogen gezien en hij twijfelde er dan ook niet aan dat Vrouwe Vrijheid gelijk had. Zijn vader was gewoon te koppig geweest om na te denken. Victor vloekte. Waarom moesten oude mannen ook altijd zo verdomd koppig zijn?Waarom zag zijn vader de logica van het hele idee dan niet in?
Woedend zette Victor de hele zaak van zich af. Wat gebeurd was, was gebeurd. Nu was het tijd om aan de toekomst te denken. De wereld wachtte op bevrijding.
Epiloog
Terwijl Victor zich voorbereid op zijn grote vrijheidsstrijd, lachte Arachna, de godin van de onderwereld, stilletjes in haar handje. “Het boek der vrije zielen” werd niet geschreven door Vrouwe vrijheid, maar door Arachna zelf en is niet meer dan een boek vol verwrongen waarheden. Met behulp van de magisch overtuigingskracht slaagt Victor erin op korte tijd een gigantische aanhang te krijgen. Hij trekt naar het zuiden en sticht er Peadix, Stad van vrijheid en vrede. Ondertussen stijgen er steeds meer kwade stemmen op tegen de Raad van Zeven en krijgt Victor steeds meer aanhangers.
Na vijf jaar besluit hij dat de tijd rijp is om de goden voor eens en altijd uit de weg te ruimen.
Victors magische kunde is echter bij lange na geen partij voor de Magische kunde van de zeven goden en Arachna weet dit, en besluit hem te helpen. Via het boek ondersteund ze Victor en geeft ze hem genoeg kracht om de raad van zeven te verslaan. Door gebruik te maken van de elementale Chaosmagie, een magievorm die de Raad van zeven angstvallig en met goede reden mijd, slaagt ze erin Victor sterk genoeg te maken om de uitdaging aan te gaan. Om de magische verbinding met de onderwereld open te houden mag er echter niemand, behalve Victor zelf, “Het boek der vrije zielen” nog aanraken.
Om dit te voorkomen laat Victor een fort bouwen in Zlondor, het dorpje waar hij het boek gevonden heeft en laat hij het boek zwaar bewaakt achter.
Hij verzameld zijn leger en gaat op weg naar Talip, de hoofdstad van Amaroth en woonplaats van Leon, de leider van de raad van zeven. Daar komt hij oog in oog te staan met de voltallige raad van zeven en hun leger.
De strijd begint maar slaat al gauw uit in het voordeel van Victor en zijn vrijheidsleger.
Niets kan de zeven goden nog redden in deze wanhopige strijd. Of toch?
Terug naar de Bibliotheek...











